lezen Wereldwijs

De meest bereisde persoon ter wereld

Bekijk Sluit

lezen Wereldwijs

De Griek Babis Bizas zag àlle landen. Hij proefde hun keukens, hoorde hun talen, en het Guinness Recordboek benoemde hem tot meest bereisde mens. Even is hij terug in Athene, waar hij over de wereld, het reizen en zijn leven vertelt.

Datum
Auteur
Edward Geelhoed
Fotograaf
Babis Bizaz

Een halve eeuw geleden ontdekte Babis Bizas, als tienjarige, de verbeelding. Op iedere chocoladewikkel stond een land getekend, met vlag en kleding, met hoofdstad en inwonertal. Hij droomde van het verre, en een decennium later stak hij de Griekse grens over. Ineens spraken de mensen Bulgaars, lazen ze onbekende kranten, zette het communisme de toon. In Blagoëvgrad ontmoette hij voor het eerst een ‘ander’, een jongen die hem uitnodigde mee te eten – zijn moeder bereidde haan met uien. Het vreemde bleek eveneens gewoon.

Altijd keert Bizas terug naar de stad die hij verliet, en zo verhaalt hij op een lange zomeravond in Athene over de 193 landen die op Bulgarije volgden. In de tijd tussen nu en toen was hij almaar onderweg, elf maanden per jaar, en dat bracht het Guinness Recordboek tot de betiteling ‘meest bereisde mens op aarde’.

Voordat Bizas groepjes toeristen door onontgonnen vlaktes loodste, ‘was er eerst de plunjezak’, vertelt hij op zijn balkon. Liftend bereisde hij Europa, leefde in het dure Helsinki een week op één gestolen brood en salami; de opwinding verdrong de honger. Maar Azië riep. ‘Per trein en bus drong ik zwartrijdend door tot in Afghanistan, dat erg geliefd was om de hasjiesj. Een Fransman had heel dat eind in zijn Deux-Chevaux afgelegd en ik reed mee India in, waar ik aanmonsterde op een Grieks schip.’ Schrobbend voer hij naar Zuid-Afrika, werd de apartheid gewaar, en was op tijd voor het tentamen Politicologie in Athene terug.

Milities in Tadzjikistan

De eerste 45 landen deed Bizas als vrije eenling aan, maar je kunt de aarde niet eeuwig trotseren op sardientjes alleen, en zo liep hij een reisbureau binnen. Bizas sprak vloeiend Grieks, Russisch, Frans, Engels en Spaans, een mondje Bulgaars, Roemeens en Duits, ‘en stante pede stuurde het bureau me op pad, naar Griekse eilanden, naar Boekarest, Praag en Warschau, naar China, Kenia en Mexico’. Totdat hij zes jaar later carte blanche kreeg, en toeristen omtoverde in reizigers.

In 2010 bezocht Bizas Alaska.

‘Overal mocht ik reizen uitstippelen, óveral, en zo creëerde ik een niche: die van de verkenningstocht. Per helikopter naar de Noordpool, per ijsbreker naar Antarctica. Door het El Salvador van de burgeroorlog. Ook in Tadzjikistan woedde een etnische strijd, het land was op slot, maar als enige toeristengroep drongen we er binnen. We sliepen in verlaten huizen, vonden nauwelijks eten, reden dagenlang door de bergen. Op een dag bezweek ons busje, dicht bij een grensrestaurant, waar de koks in grote potten geit kookten, voor honderd Oezbeken in aantocht. Mijn dertig metgezellen verorberden alles.’ En al vlug verzucht Bizas dat de romantiek van het reizen is vergaan. Je vliegt op tijd, de weg is van asfalt. Jouw uitzicht is dat van duizend anderen. ‘De werkelijkheid wil ik zien, als enige buitenstaander. Als dorpelingen in Tadzjikistan tussen milities leven, wil ik meevoelen.’

Nog altijd is dat zijn leidmotief. Liever dan naar de Malediven neemt hij zijn groepjes mee naar Nigeria, naar Noord-Korea – wat, zoals Bizas zegt, haast geen reisbureau ter wereld doet. Hoewel hij dictaturen in principe verfoeit, bereist hij ze zorgeloos. ‘Niemand zal je lastigvallen in Pyongyang, alleen een agent volgt je, in tegenstelling tot de wetteloze plekken; in Lagos moet je als reiziger bijna een strateeg zijn. Maar doodszorgen zijn onnodig. Zolang ergens een vliegtuig heengaat, zal niemand je zómaar neersteken op straat.’ Alleen Syrië en Noord-Irak mijdt hij dezer dagen – naar Kaboel gaat hij wel. ‘Wat gebeurde daar vandaag, gisteren? Niets. Eergisteren? Vijftig doden bij een bomaanslag, je hoort het op de radio. Maar dat is een voorval, een uitzondering. Je loopt niet door spervuur, niet in iedere stap schuilt gevaar. Het leven gaat daar door.’

Bij het Mursi-volk in Ethiopië.

Een twintigtal ‘lastige landen’ bleef evenwel lang onbezocht. ‘In 2004 stelde ik me ten doel: voor Oudjaar ben ik ook daar geweest, ook in Burundi, Equatoriaal-Guinea. En met Oost-Timor besloot ik de lijst aller landen. Later, na afscheiding, voegde Zuid-Soedan zich erbij. Maar sindsdien leef ik niet in mijn herinneringen. Aan andere dingen denk ik nu: provincies, eilanden. De lijstjes zijn eindeloos.’

Verwaterende vriendschappen

Vanaf de eerste lange, serieuze reis is het onomkeerbaar: je zult altijd ook ergens níet zijn. De schaduwzijde van afwezigheid: ‘Echte vriendschap is onmogelijk. Je moet ter plekke zijn, de routine van het alledaagse delen. Zo verworden vrienden tot kennissen.’ Evenzo mist hij het politieke leven, en dat is de zonzijde – ‘vooral in Griekenland, waar politiek je opslokt’. ’s Nachts beloert hij door zijn telescoop de sterren in de Griekse hemel, televisie kijkt Bizas niet. Terwijl hij het grootste toestel ter wereld bezit. Twee kwamen er Griekenland binnen; de ene belandde bij Alpha Bank en Bizas takelde de andere naar de vierde verdieping, en daar staat hij nu, omgeven door vierduizend reisboeken, door dolken en mammoetbeeldjes, een wereldbol, een lezende vrouw en een schuwe kat, en al een halfjaar staat hij uit.

Ontworteld voelt Bizas zich niet, altijd is er Athene, maar steeds verlangt hij naar beweging, naar het rijden en vliegen en varen. Verkennen en ontdekken. En na al die opgedane impressies en overpeinzingen blijft de tijd verbazingwekkend lineair, ziet hij maand en jaar bij al het gebeurde.

Zoals september 2003, de rondgang door Mogadishu. Als enige westerling in het vliegtuig stevende hij op Somalië af, dat land in gruzelementen, maar met een pracht aan citadels en boogbouw en groene zee. ‘Op de luchthaven liep een jongen genaamd Black me tegemoet – “ik ben zwarter dan de anderen”, lichtte hij de bijnaam toe. “Als je wilt, bescherm ik je”, zei hij. “Voor honderdtwintig dollar per dag.” Dat was veel, maar een keuze had ik niet.’ Bij Black en zijn busje bleken nog acht Somaliërs te horen, omhangen met kogelbanden en machinegeweren. ‘Waar we ook wandelden, altijd volgden die geweren mij en Black. In het oude stadshart en bij de paleizen. In woonwijken en zelfs ’s avonds, bij het dansen in de hoteltuin.’

Op het Franse eiland Crozet in de Indische Oceaan. 

Het gelukkigste volk

Na alle omzwervingen maakt Bizas de balans op: Het mooiste uitzicht? ‘Santorini, Rio de Janeiro en het Canaimapark in Venezuela.’

De beste keuken? ‘De Azerbeidzjaanse, die – ingeklemd tussen Turkije en Iran – nooit befaamd werd. Alles vol van aroma, mals lamsvlees, roomsoep en kruidenthee.’

De knapste vrouwen? ‘Oost-Afrika! Die gezichtslijnen…’

Het gelukkigste volk? ‘Vergeet Scandinavië, zoek je heil op een eiland nabij Kameroen: op São Tomé. Bij alle ouderen een kinderlijke vreugde.’

De best bewaarde eigenheid? ‘De Sahel verandert niet; je aantal geiten bepaalt nog steeds je gezag.’ 

De welluidendste taal? ‘De melodie van het Hongaars is ongeëvenaard en niets klinkt erotischer dan het Spaans in Colombia.’

Cultuurstad nummer één? ‘Moskou, om haar ballet en opera.’

Over een paar dagen is Bizas daar wederom, op doortocht naar Siberië, een weerzien. In ’92 sloeg hij gade hoe Rusland langzaam openging. ‘Als een van de eersten bracht ik toeristen naar die plaatsen: van Jakoetsk naar Magadan, naar Sachalin, naar Vladivostok; dat was mijn droom, het einde van de aarde. En ik volg haar ontplooiing.’ 

De drang om het ongeziene te zien is de constante. Die voerde hem in 1988 naar het Libië van kolonel Moammar Gaddafi, ‘destijds wellicht als enige reiziger’, alweer. Op de markt in Benghazi fotografeerde hij tomaten, en plots zette de geheime politie hem in de cel, bij een Soedanese jongen en een vuil matras op de vloer. ‘Na een paar uur deelde de chef mee: “Je spioneert voor Israël, volgens mijn agenten.” Om de kweekkunst van tomaten af te kijken? antwoordde ik. Dat kwam de politiechef ook voor als waanzin, en hij stelde me vrij. Ik spoedde me naar het Griekse consulaat, en hoorde: “O, nogmaals… Vorige week zat onze gehele basketbalploeg gevangen!”’


Bekijk ook

Ads for you!

Beste bezoeker,

We zien dat je waarschijnlijk een adblocker of andere software gebruikt die onze banners ontregelt.
Dat vinden we jammer, hiermee missen we inkomsten voor onze site die we hard nodig hebben.
Merk daarom onze site als 'veilig' aan en volg deze instructies.

Dankjewel voor je tijd.
National Geographic Nederland/België

Sluiten