lezen Reisverhaal

De kleuren van Madagaskar

Bekijk Sluit

lezen Reisverhaal

In drie weken tijd maakte onze reporter een reis van zo’n 2500 kilometer, een verkenningstocht die voerde van het Centraal Hoogland tot de Staat Mozambique.

Datum
Auteur
Adrian Catu
Fotograaf
Adrian Catu

De oranje rivier

Ik heb niet langer geslapen dan een uur of drie, maar de veelkleurige zonsopkomst wil ik voor geen goud missen. De anderen liggen nog in hun hangmatten, slapend onder een klamboe. De rivier wordt aan het zicht onttrokken door sierlijke, blauwe nevelflarden. In de verte doen lemuren en mij onbekende vogels van zich horen. Een boomstam­kano doemt op uit de mist als uit een lang vervlogen verleden en glijdt soepel naar de oever. Twee kin­deren – een jongen en een meisje – springen aan wal en worden al snel opgeslokt door het donkere bos. Het tweetal doet me even aan Hans en Grietje denken.

‘Er zitten hier krokodillen, wist je dat?’ Haastig klimt de zwemmer weer binnenboord.

Drie weken lang zal ik in Madagaskar een reis van zo’n 2500 kilometer maken, een verkenningstocht die me zal voeren van het Centraal Hoogland tot aan de Straat Mozambique. Naarmate ik die­ per doordring in het ongerepte achter­ land, worden de herinneringen aan de drukke, door heuvels omsloten hoofdstad Antananarivo met zijn oude Citroëns uit de jaren ’60 verder naar de achtergrond gedrongen. Ik ben op weg naar het piep­ kleine plaatsje Miandrivazo, gelegen aan de oever van de Tsiribihina. Het is mijn tweede dag en ik reis over deze rivier naar het kalksteenlabyrint Tsingy de Bemaraha. De mist is een paar uur geleden opgetrok­ken en een verkoelend briesje verdrijft de zinderende middaghitte. De oranje rivier kabbelt lui stroomafwaarts, de felblauwe hemel is bezet met langgerekte, tere wol­ken die plukken schaduw werpen op het landschap eronder. Leunend tegen een ge­soldeerde metalen stoel bestuurt capitaine Fils de boot met zijn voeten. Hij moet de boot geregeld langs de oever stilleggen om de oververhitte motor wat af te laten koelen. Het is nu ook weer zover en de boot is nog niet aangemeerd of een van mijn medereizigers springt het warme water van de rivier in. Als een liefhebbende vader gunt Fils hem enige plezierige ogenblikken voordat hij hem in het Frans toeroept: ‘Er zitten hier krokodillen, wist je dat?’ De zwemmer haast zich terug en klimt angstig binnenboord. ‘Ze hadden je net pas opgemerkt. Je had nog een paar mi­nuten hoor,’ lacht Fils. Hij is geboren in een dorp aan de oever en weet dus wel hoe je met krokodillen moet omgaan. Hij grinnikt om de onwetendheid van de Europeanen.

Op de rivier in Centraal-Madagaskar komen locals soms de passagiers gedag zeggen, zoals deze kinderen in hun kano. Foto: Adrian Catu

‘Bienvenu Polia.’ Met die woorden word ik door een jongen van 18 begroet in het keukentje aan boord. ‘Bienvenu, dat is mijn achternaam,’ verduidelijkt hij, als hij merkt dat ik het niet begrijp. Het is erg warm in de kombuis en de schilferige wanden komen op ons af. Hij schept wat gegratineerde bloemkool op een pompoenschil, legt er een stuk perfect gebraden eendenborst bij en wat extra groenten. ‘Van wie heb je leren koken?’ vraag ik. ‘Van niemand. Maar ik zou het wel graag willen leren,’ zegt hij met een dromerige blik. Even later geniet ik in het passagiersgedeelte van de door hem zo kundig bereide maaltijd, terwijl de rivier ons in het strijklicht van de ondergaande zon naar de nog onzichtbare oceaan voert. 

In de schemering kleurt de hemel steeds minder oranje en nemen de paarstinten de overhand. Fils legt aan in een inham en maakt alles gereed voor de nacht. Dan voert hij ons door het bos mee naar de plek waar een ruisende waterval zich in een poel met helder water stort. Het is inmiddels donker geworden en de Melkweg prijkt in al zijn pracht boven het water. Ik drijf een poos op mijn rug en neem het fraaie schouwspel in me op... tot de stilte ineens door vrolijk gejoel doorbroken wordt: ‘Ge­feliciteerd met je verjaardag!’ We spelen als kinderen, we duiken en spatten elkaar nat. Daar, te midden van dat in het duis­ter gehulde bos en onder het gesternte van het zuidelijk halfrond, heb ik een jaar toe­gevoegd aan mijn levensverhaal.

De 18-jarige Polia (boven), die maaltijden bereidt voor toeristen die de Tsiribihina afvaren, hoopt ooit een koksopleiding te volgen. Foto: Adrian Catu

Paarse hoogten

‘Ik ben zo licht als een veertje,’ prent ik mezelf in, al weet ik natuurlijk wel beter. Mijn vingers krommen zich krampachtig rond one enheden in de steile rotswand. Ik geloof dat ik eerder wanhopig ben dan bang en ik zou niet kunnen zeggen of ik echt angst voel of dat ik – met mijn hart­ slag voelbaar in mijn slapen – alleen voort­ durend aan angst dénk. Maar ik moet door, al was het maar omdat ik over niet al te lang moe zal worden. En ik kan toch niet eeuwig tegen deze muur aangeplakt blij­ ven? Of zal ik Jimmy, mijn gids in Tsingy de Bemaraha, om hulp vragen?

Vlijmscherpe rotsen zijn kenmerkend voor natuurreservaat Tsingy de Bemaraha, een kalkstenen labyrint. Foto: Adrian Catu

Een bezoek aan deze plek, een wereld­ erfgoedmonument, stond al heel lang op mijn verlanglijstje. Dit unieke kalkstenen labyrint ligt in het westen van Madagas­kar, op zo’n 500 kilometer van de hoofd­ stad. Het ‘rotswoud’, zoals het plaatselijk bekendstaat, heeft een totale oppervlakte van 1575 vierkante kilometer, maar toeristen worden uitsluitend toegelaten in het deel dat tot nationaal park bestempeld is – en dat alleen van april tot november, het droge seizoen. Voor de Malagassiërs geldt dit als de heilige plek van de Vazimba, de eerste inwoners van Madagaskar. Diep in het labyrint zie ik sporen van recente ce­remoniën: een spiegeltje dat de poort naar het geestenrijk verbeeldt en schelpen, ge­vuld met offergaven als rum en honing. Bezoekers mogen niets aanwijzen; het geldt als oneerbiedig jegens de geesten die hier huizen.

Ik waan me in een bizarre stad, ontsproten aan de geest van een surrealistische schilder.

Ik verwonder me al de hele dag over dit bijzondere landschap en heb me, veilig in mijn klimtuig, steeds voorbeeldig gehou­den aan de routes die zijn uitgezet door een team van Franse grotexperts. Vanuit de nauwe, groene diepten van het kalk­ steenlabyrint beweeg ik mij omhoog naar de vlijmscherpe pieken die grijs begonnen, later oranje kleurden en nu, tegen zonsondergang, eindigen in blauw­ en paarstin­ten. Ik klauter omhoog en omlaag, vanuit het donker naar het licht, en waan me in een bizarre stad, ontsproten aan de geest van een surrealistische schilder. Dan kan ik ook net zo goed gaan vliegen, denk ik op een gegeven ogenblik. Ik ben benieuwd hoe het zou zijn om hier ongezekerd te klimmen en trek mijn klimtuig uit. Maar nu, minuten later, zit ik nog steeds tegen deze rotswand aan geplakt. Ik kan geen kant meer op en denk terug aan Jimmy’s vermaning: ‘Wat je ook doet, blijf vooral op het pad.’

Heel diep vanbinnen weet ik het wel: de mogelijkheid van gevaar is iets anders dan het gevaar zelf. Ik ben niet echt in nood, deze rotswand is best te doen. Ik zit er als een gekko tegenaan geplakt, en mijn spieren zijn verstijfd van angst. Het is een angst die ik als een litteken bij me draag sinds ik als tiener eens ongezekerd van een rotswand viel. En die angst zit me nu in de weg.

‘Gaat het?’ Zo’n tien meter boven mij zie ik het hoofd van Jimmy verschijnen, die vanaf het uitzichtpunt naar beneden kijkt. Het verbaast hem zo te zien niet heel erg dat ik het pad verlaten heb en me – on­gezekerd – op een hoogte van vijf meter vastklamp aan de rotsen. Hij lacht veel­ betekenend en wijst dan naar een groepje witte lemuren die zich in het licht van de ondergaande zon met het grootste gemak langs de blauw glinsterende rotswand be­geven. Ze klimmen omhoog en wanneer ze de top bereiken, werpen de laatste zonne­stralen van de dag een rode gloed over hun vacht. Daar wil ik ook naartoe, ik wil het licht zien en die rode rotsen daarboven aanraken. ‘Zeker. Het gaat prima,’ ant­woord ik met kalme stem. Ik strijk met mijn vingertoppen over het ruwe steen en zie ineens een hele reeks bruikbare uit­steeksels. Alsof ik hetzelf niet in de hand heb klim – of vlieg – ik even later meter voor meter omhoog naar het licht.

Toeristen rusten even uit tijdens hun tour door het geologisch werelderfgoed, die dankzij de smalle en steile doorgangen best pittig kan zijn. Foto: Adrian Catu

De rode weg naar zee

Het is een heerlijk lome middag en ik koes­ter me onbezorgd in een cocon van licht. Ik heb geen idee welke dag het is. De ruisende zee streelt, glad als groene zijde, zachtjes het gouden zand; het koraalrif verderop heeft de vaart uit de branding gehaald. Ik weet me nog vaag te herinneren dat ik hier een paar uur geleden ben aange­ komen, maar ik kan het nog nauwelijks bevatten. Er moeten toch haast wel een paar dagen voorbij zijn gegaan sinds onze auto zich hotsend over stoffige heuvels een weg baande door het ruisende grasland en bruisende rivieren. Vanuit Tsingy zijn we via Route Nationale 9 naar Mangily gereden, een vissersdorp aan de kust van de Straat Mozambique. We legden in twee dagen 650 kilometer af. Onze oude Nissan en Haja, de chau eur, vormden een een­ heid – een stalen wezen met een ziel. Haja reed die eindeloos voortslingerende weg als een dappere ridder helemaal af.

De stranden bij Mangily, aan Straat Mozambique, nodigen uit tot relaxen, zoals dit stel doet in de bar van Residence du Lagon. Foto: Adrian Catu

Op sommige stukken brulde de motor en waande de ridder zich oppermachtig. Op andere stukken kroop hij nederig op handen en knieën door plassen en modder­ poelen en bezeerde hij zich aan scherpe keien. Onderweg werden wat offers gebracht: water en zand vernielden een van de lagers en daarna verloren we, ergens ver buiten de bewoonde wereld, de achter­ bumper. We passeerden dorpjes met niet meer dan drie of vier hutten en inwoners die nog nooit eerder een SUV hadden ge­zien; het verkeer beperkte zich doorgaans tot een enkele vrachtauto vol mensen, lading en dieren. Op de middag van onze eer­ste dag reden we 60 kilometer achtereen zonder een dorp of zelfs maar iemand tegen te komen. De weg was niet veel meer dan een eenvoudig pad door de savanne, een stoffig dubbel spoor met gras ertussen. Na zonsondergang stopte Haja bij elke vertak­ king in de weg. Hij stapte uit, bestudeerde de sporen bij het licht van zijn zaklamp en maakte dan een keuze. Links. Rechts. Hij vergiste zich, reed een paar kilometer te­rug. Ik hielp hem met mijn gps. Laat op de avond bereikten we een eenvoudig hotel. De volgende ochtend waren we om 8 uur al weer op pad. Tegen het middaguur sij­ppelde er, bij het oversteken van een rivier, water in de auto. Een paar uur later werden we door een gammel pontje, dat zo te zien ooit roze was geweest, overgezet naar de zandvlakte aan de overkant. Het veerbootje kreunde en steunde onder het gewicht van de oude Nissan met zijn zes passagiers en hun bagage, maar we haalden het.

Onze auto danste houterig over de weg. Waar het zand overging in de oever van een riviertje, zat een kind te spelen met een speelgoedautootje van stukjes plaatijzer en hout. De uren verstreken en er leek geen einde aan de weg te komen. Nog altijd die rood­oranje tinten, stoffige banen zonlicht.

Ondanks de prima stranden bij Mangily, het goede eten en het voor duikers aantrekkelijke rif trekt de plek nog weinig toeristen. Foto: Adrian Catu

En nu sta ik op het strand van Mangily, waar de zon ondergaat en het al snel helemaal donker is. Op het verlaten strand wordt vuur gemaakt: vissers houden een barbecue en dansavondje voor het handje­ vol toeristen dat verblijft in de huisjes hier vlakbij. Een dorpsbewoner bespeelt een zelfgemaakte gitaar, terwijl een ander een strak ritme op een trommel slaat. Ze maken muziek tot in de kleine uurtjes, tot het licht van de sterren begint te vervagen, de hemel paars kleurt en andere vissers lachend en pratend hun netten op het strand slepen. Bij zonsopkomst baadt de zee in een bonte mengeling van pasteltinten en in de lagune glijden kano’s soepel over het water. Een paar uur later zit ik in een traditioneel houten vaartuig dat het groene water doorklieft, voortgestuwd door een zeil dat bestaat uit aan elkaar genaaide raf­fiazakken. Op open zee brengt de schipper de boot naast een motorboot tot stilstand.

Ik trek mijn duikpak aan en laat me in het groene water glijden, tussen het koraal en snelle vissen. Even later wordt me bij Chez Freddy een bord verse vis aangereikt, met een glas rum van het huis erbij. Tegen de tijd dat de maan opkomt, loopt het al tegen middernacht. Toeristen zwemmen in het koele witte licht in de warme zee. Dan wordt het weer ochtend. Op een gegeven moment zal ik toch echt terug moeten naar de hoofdstad om daar het vliegtuig naar huis te nemen...


De legende van de gele boom

‘Toen God de hemel en de aarde schiep en al het andere, zette Hij midden in het pa­ radijs een enorme boom neer. Vogels ver­ scholen zich tussen zijn takken en andere dieren zochten dankbaar de schaduw van zijn imposante loofkroon op. En ze be­ wonderden de boom om zijn pracht en kracht...’

Een paarse gloed aan de hemel kondigt de dageraad al aan. Op de befaamde Allée des Baobabs, een verlaten zandweg bij Mo­ rondava, wacht ik op de eerste zonnestralen en hoor ik in gedachten het sonore stem­ geluid van Haja, mijn chauffeur, die me dit verhaal aan het begin van mijn reis ver­ telde. ‘Ken je nog meer van die oude legen­den?’ had ik hem gevraagd. ‘Ja,’ erkende hij, ‘maar die kan ik niet met je delen.’ Drie we­ken later waren we zo op elkaar ingespeeld dat we nauwelijks nog woorden nodig had­ den om met elkaar te communiceren. En toch heeft hij na dit verhaal niets meer met me gedeeld wat met zijn geloof te maken had. Het was taboe. Ik was gestuit op de fady, de onzichtbare scheidslijn die zijn ge­ loof tussen hem en mij getrokken had.

‘De boom werd verwaand. Hij voelde zich ver verheven boven de andere bomen en mopperde dat de dieren hem niet vol­ doende prezen. De harmonie in de wereld raakte verstoord.’ Ineens komt er, ogenschijnlijk vanuit het niets, een kind naar me toe. Het loopt op blote voeten en heeft een groene deken om zich heen geslagen. Het is alleen, en ik zie ook nergens een huis. Het kind trekt de de­ken wat strakker om zich heen en kijkt me zwijgend aan. Achter de baobabs verschijnt een vage gloed die langzaam oranje begint te kleuren. De grillige takken richten zich naar de hemel, waarin de sterren beginnen te vervagen.

Silhouetten van de reusachtige baobabs sieren de hemel boven de Allée des Baobabs, een verlaten zandweg bij Morondova, een stad aan de westkust van Madagaskar. De bomen zijn doorgaans solitair, grote groepen als deze zijn vrij zeldzaam. Foto: Adrian Catu


‘God dacht goed na; Hij mocht de boom wel. En op een dag trok Hij hem uit de grond, en zette hem met zijn wortels in de lucht weer terug. Sindsdien groeit de bao­ bab zo.’ Ik laat mijn blik langs die indrukwek­ kende, eeuwenoude stammen gaan en bedenk dat deze bomen eigenlijk nogal egoïstisch zijn. Het zijn grote bomen, on­genaakbaar en onkwetsbaar. Maar baobabs zijn solitair; ze vormen geen bos. Ze bieden geen schaduw en je kunt er niet in klim­ men.

Het kind kijkt tussen de reusachtige bomen omhoog naar de hemel en lijkt mij vergeten te zijn. Dan valt er vanonder de groene deken een van oude lappen ge­maakte bal op de grond. Mijn grootvader, die opgroeide in een armoedig dorp aan de rand van Europa, speelde vroeger ook met zo’n bal. Misschien was het doel van deze reis wel om mij een tijdreis te laten te ma­ken, een reis naar het verleden – naar een van magie doortrokken wereld die ik nooit heb gekend, waar kinderen zich vermaken met rafelige ballen, katapulten of zelf­ gemaakte speelgoedautootjes en de hele zomer lang in oranje water zwemmen. En waar ze dromen van de mooie spullen die toeristen bij zich hebben, zoals een horloge of de camera die ons in staat stelt zoveel van de wereld te zien en ons tegelijkertijd lijkt te verhinderen nog echt te kijken.

Ik ontwaak uit mijn dagdroom en zwaai, net als mijn reisgenoten, nog een laatste keer naar Haja. Wij waren de enige toe­ risten die hij dit voorjaar heeft rondgere­ den. Onder het gesternte van het zuidelijk halfrond lopen we over het asfalt naar het vliegtuig dat op de startbaan al voor ons klaarstaat.

Adrian Catu is een Roemeense fotograaf en antropoloog die geregeld samenwerkt met de Roemeense editie van National Geographic Magazine.

Hoofdfoto: Over Route Nationale 7, die loopt door het Centraal Hoogland en het noorden van het eiland met het zuiden verbindt, passeer je de rots van Ifandana. Foto: Adrian Catu

Bekijk ook

Ads for you!

Beste bezoeker,

We zien dat je waarschijnlijk een adblocker of andere software gebruikt die onze banners ontregelt.
Dat vinden we jammer, hiermee missen we inkomsten voor onze site die we hard nodig hebben.
Merk daarom onze site als 'veilig' aan en volg deze instructies.

Dankjewel voor je tijd.
National Geographic Nederland/België

Sluiten